N E A N D E R T H A L  1   De Neanderthalers zijn vernoemd naar de vindplaats van een van de eerste fossielen die van deze soort gevonden werd, het Neanderdal in Duitsland. Toch is Neanderthal 1, zoals dit fossiel wordt aangeduid, niet het eerste fossiel wat van deze vroege mensen gevonden werd. Er waren al eerder Neanderthal fossielen ontdekt in Gibraltar en België. Deze fossielen werden echter voor de ontdekking van de Neanderthal fossielen afgedaan als rariteiten en verdwenen in de lades van musea. De wereld was nog niet klaar voor het idee van een evoluerende mens.

Het Neanderdal ligt zo’n 15 kilometer ten oosten van Düsseldorf. In het gebied werd in de 19de eeuw kalk gewonnen. De afgravingen hebben het gebied volledig verwoest. In 1856 werden bij een van die afgravingen in een grot een aantal fossielen gevonden. Het vinden van de fossielen zal de werkmannen niet erg verbaasd hebben. Bij dergelijke afgravingen komen er aan de lopende band fossielen naar boven.

De fossielen werden op een hoop gegooid met ander materiaal uit de grot. Uiteindelijk besloot de voorman de fossielen te verzamelen en af te leveren bij een lokale leraar, Johann Fuhlrott. Fuhlrott stond bekend om zijn interesse in fossielen. Tijdens het sorteren viel zijn oog op een aantal fossielen waarvan de voorman dacht dat ze van een holebeer waren. Fuhlrott zag echter direct dat de fossielen menselijk waren, al was ook meteen duidelijk dat ze verschilden met de botten van moderne mensen.

 



De Neandervalei

De kalksteengroeves nabij Mettmann in de Duitse Neandervalei. Met de komst van de industrialisatie in de 19de eeuw ontstond er een grote behoefte aan grondstoffen als kalk. De Neandervalei, genoemd naar de 17de eeuwse Duitse dichter Joachim Neander, was beroemd vanwege zijn mooie rotspartijen. Deze rotsen van kalksteen werden ineens geld waard, waardoor in korte tijd de mooie natuur in het gebied volledig verwoest werd door dynamiet en graafmachines.

 

 

Geïntrigeerd door zijn vondst, schakelde Fuhlrott de hulp in van Hermann Schaaffhausen, een professor in de anatomie uit Bonn. Schaaffhausen was het met Fuhlrott eens dat de fossielen menselijk waren en begon aan een uitgebreide beschrijving van de vondst die bestond uit het schedeldak, beide dijbenen, de linker boven- en onderarm en delen van het bekken. In 1858 voltooide Schaaffhausen zijn beschrijving.

Hij vergelijkt de Neanderthal fossielen met een aantal fossielen die een paar jaar eerder waren gevonden in het Belgische Engis. Helaas richt hij zich in zijn vergelijking met name op de fossielen van een moderne man die, zo is later gebleken, ‘slechts’ 800 jaar oud was en niet op het schedeldak van een kind dat in dezelfde grot was gevonden en 100 jaar later werd geïdentificeerd als Neanderthal. Zijn conclusie was dat de fossielen waarschijnlijk behoorden tot een oud aboriginalachtig ras uit het noorden van Europa. Dit ras was vermoedelijk door de Kelten en Germanen verdreven. Dergelijke rassen waren beschreven door de klassieke geschiedschrijvers.

Schaaffhausen voltooide zijn beschrijving een jaar voordat Darwin de wetenschappelijke wereld op zijn kop zette met zijn evolutie theorie. Het idee dat de mens voorouders had die er anders uitzagen dat hij zelf was voor de wereld van toen onbekend. Antropologen hielden zich meer bezig met verschillen tussen de menselijke rassen.

De opvatting die men er destijds op na hield zijn in onze ogen racistisch, zo dachten zij dat negers dichter bij de mensapen stonden dan blanken. Men bestudeerde de schedels van volken uit de hele wereld en probeerden aan de hand van verschillen aan te tonen welke rassen meer of minder ontwikkeld waren. Ook dacht men aan de hand van de bulten op een schedel te kunnen vaststellen wat voor karakter de betreffende persoon heeft. Zo is er lange tijd onderzoek gedaan naar de schedels van criminelen. Het doel van dit onderzoek was om op jonge leeftijd criminelen te kunnen onderscheiden van eerlijke burgers.

Het moet voor Schaaffhausen moeilijk zijn geweest de Neanderthal fossielen een plaats te geven in het heersende wereldbeeld. Hij schreef dan ook: “De menselijke beenderen van het Neanderthal overtreffen alle anderen in merkwaardigheid van samenstelling wat leidt tot de conclusie dat zij behoorden tot een wild en barbaars ras”.

E E N  K O E L E  O N T V A N G S T   De beschrijving van de Neanderthal fossielen werd scherp bekritiseerd. Een van de grootste tegenstanders was tevens een van de meest eminente geleerden in Duitsland in die tijd: Rudolf Virchow. Mede door Virchows autoriteit werd het belang van de Neanderthalers in de Duitse wetenschappelijke wereld lange tijd niet onderkend. Virchow was er van overtuigd dat de Neanderthaler fossielen van een ziek (modern) individu waren. De ziekte verklaarde dat de beenderen er zo anders uit zagen. Het platte voorhoofd en de prominente wenkbrauwboog waren volgens Virchow te wijten aan het feit dat de Neanderthaler mens een permanente frons zou hebben gehad. Hoe belachelijk dergelijke denkbeelden nu ook lijken, Virchow bleef dit volhouden tot aan zijn dood in 1902. Hij maakte daarmee een objectieve discussie over de fossielen in Duitsland onmogelijk.

 

Rudolf Ludwig Karl Virchow
(1821 - 1902)

Rudolf Virchow is een van de meest invloedrijke Duitse wetenschappers aan het eind van de 19de eeuw. Hij is bekend als de grondlegger van de moderne pathologie. Virchow stond uitermate sceptisch tegenover Darwin's evolutie theorie. In 1872 verklaarde Virchow dat de Neanderthaler fossielen pathologisch waren en zonder twijfel modern. de invloed van Virchow ging zo ver, dat voor de meeste Duitse wetenschappers hiermee de kous af was. Pas na zijn dood in 1902 kreeg de Evolutie theorie een kans in Duitsland.

 

De felste discussie over de fossielen ging destijds tussen Schaaffhausen en diens collega Friederich Mayer. Beiden waren verbonden aan dezelfde universiteit in Bonn. Zoals wel vaker speelde rivaliteit waarschijnlijk een grote rol in de discussie. Mayer onderschreef Virchows conclusie dat de merkwaardige vorm van de fossielen te danken waren aan ziekte. Zijn theorie was dat de fossielen behoorden aan een achterlijk kind dat aan rachitis had geleden, of eventueel een reumatische ruiter uit het Kozakken leger dat Napoleon had achtervolgd na diens desastreuze Russische campagne. Dergelijke denkbeelden domineerden de discussie in Duitsland en de fossielen leken dan ook bestemd om in een lade te verdwijnen

In 1861 verscheen er echter een Engelse vertaling van Schaaffhausens beschrijving. Hierdoor werden de Neanderthaler fossielen bij een veel groter publiek bekend en raakte de discussie in een stroomversnelling. Het Engelse publiek was destijds al 2 jaar bekend met Darwins evolutietheorie en stond daardoor veel meer open voor een mogelijke voorouder van de mens. In 1863 schrijft Thomas Henry Huxley, een van de bekendste voorvechters van Darwins evolutietheorie, het eerste echte boek over menselijke evolutie: Evidence as to Man’s Place in Nature, waarin hij ook de Neanderthal fossielen uitgebreid aanhaalt. Huxley stelt dat de Neanderthaler schedel de meest aapachtige is van alle bekende menselijke schedels.

 

Thomas Henry Huxley
(1825 - 1895)

"Darwin's bulldog" zo werd Huxley in de populaire pers genoemd, maar die titel doet hem te weinig eer aan. Huxley was al een bekende wetenschapper voordat Darwin zijn theorie schreef. Echte faam verkreeg hij echter met verdediging van de evolutie theorie. Vooral bekend is zijn debat met de bischip van Oxford, Samuel Wilberforce. Op de vraag van Wilberforce of hij via de familie van zijn vader, of die van zijn moeder verwant was aan een aap, antwoordde hij liever verwant te zijn aan een aap dan aan iemand die de waarheid probeert te verdoezelen.

 

 

Een jaar later is het de Ierse professor William King die de Neanderthaler fossielen een eigen soortnaam geeft: Homo neanderthalensis. Hoewel later inderdaad wetenschappelijk is komen vast te staan dat de Neanderthalers een aparte soort vormen is de manier waarop King tot zijn conclusie komt wel heel onorthodox. Zonder de fossielen ook maar een keer te hebben gezien brengt hij de naam tijdens een lezing naar voren. King’s naam is nog altijd in gebruik als de wetenschappelijke naam voor de Neanderthalers. Op het moment dat King de naam bedacht was er maar een Neanderthaler vondst bekend. Er waren al wel meer fossielen gevonden, maar deze waren niet als zodanig bekend.

M E E R  V O N D S T E N  . . .    In 1863 zag een antropoloog die op vakantie was in Gibraltar een schedel in een stoffige vitrine kast van een museum. De schedel, die al in 1848 was gevonden bij bouwwerkzaamheden op een militair terrein, werd verzonden naar Londen waar George Busk, de man die Schaaffhaussens beschrijving had vertaald, hem in handen kreeg.

Busk zag meteen dat de schedel uit Gibraltar grote overeenkomsten vertoonde met de Neanderthaler fossielen. Dit was voor hem bewijs dat de Neanderthaler geen misvormd individu was. Hij schreef dan ook dat het onwaarschijnlijk was dat een reumatische ruiter uit het Kozakken leger na de campagne van 1814 was door gereden naar Gibraltar om daar in een afgesloten grot te sterven. Toch was de Gibraltar schedel niet de allereerste Neanderthaler die gevonden werd.

Bij veel beschrijvingen van de Neanderthal en Gibraltar fossielen werd namelijk de vergelijking gemaakt met een fossiel dat al in 1830 in het Belgische Engis was gevonden. Hoewel dit fossiel, een uitzonderlijk robuuste, mannelijke, schedel, later werd geclassificeerd als Homo sapiens, werd er in datzelfde jaar in Engis ook nog een ander fossiel gevonden. Dit fossiel was een schedel van een onvolwassen exemplaar en had daardoor nog niet alle kenmerken van een volwassen Neanderthaler ontwikkeld. Dit fossiel, zo zou 100 jaar later blijken, is het eerste echte Neanderthal fossiel dat ooit is gevonden.

S P Y   We blijven in België, want in 1879 begint een Namense dokter, A. Rucquoy, met opgravingen in een grot nabij het plaatsje Spy. In de grot vindt Rucquoy een groot aantal prehistorische fossielen. Aangetrokken door de ontdekkingen van Rucqouy, begint een tweetal amateur archeologen, Marcel de Puydt en Max Lohest, in 1885 met de systematische afgraving van de grond in de opening van de grot. Met dynamiet blazen zij het rotspuin dat in de opening van de grot ligt weg zodat zij toegang hebben tot dit onverstoorde deel van de grot. Een eerste proefsleuf die zij hier graven levert meteen een schat aan fossielen op. Daarop schakelen zij de hulp in van een oude mijnwerker die in een volgende sleuf een deel van een menselijke schedel opgraaft. Bij de schedel vinden zij stenen werktuigen en stukjes aardewerk.

Het jaar erop hervatten De Puydt en Lohest hun opgravingen en al gauw vinden zij meer menselijke resten. De archeologen schakelen Julien Fraipont in, hoogleraar paleontologie aan de universiteit van Luik, om de vindplaats nauwkeurig in kaart te brengen. Op 11 juli 1886 stellen zij samen een proces verbaal op waarin zij precies aangeven hoe de fossiele resten gevonden zijn. Na ongeveer een jaar volgde de officiele beschrijving. De Spy mens was zo compleet en zo uitvoerig beschreven, dat het vanaf dat moment moeilijk was de Neanderthalers nog langer af te doen dan ziekelijke moderne mensen. Meer en meer werd duidelijk dat het hier om een aparte soort ging.

K R A P I N A   Spy leverde het eerste echt overtuigende bewijs dat de Neanderthalers geen misvormde moderne mensen waren, toch bleef het lastig de Neanderthalers goed te bestuderen. Er waren gewoon nog niet genoeg fossielen gevonden. Daar kwam in 1899 verandering in. Dat was het jaar waarin de Kroaat Dragutin Gorjanović-Kramberger nabij het dorpje Krapina door een lokale schoolmeester naar een kleine grot werd geleid, waar fossielen waren gevonden. Gorjanović zag meteen dat de fossielen menselijk waren en uit nader onderzoek bleek dat de fossielen overeenkomsten vertoonden met de reeds bekende Neanderthal fossielen.

 

Dragutin Gorjanović-Kramberger
(1856 - 1936)

Karl Kramberger, zoals Dragutin eigenlijk heet, studeerde in Zürich en München en haalde uiteindelijk zijn doctoraal aan de universiteit van Tübingen. In zijn vaderland Kroatië teruggekomen werd hij in 1891 aangesteld als hoofd van de paleontologie en geologie afdeling van het Nationaal museum in Zagreb. In die tijd nam hij de enigszins extravagante naam Dragutin Gorjanovic aan. In 1899 werd hij gewezen op Neanderthal fossielen in een grot nabij Krapina. Hij publiceerde over deze vondst in een monografie met de titel "Der Diluviale Mensch von Krapina in Kroatien" in 1906.

 

 

Meer fossielen, die het jaar daarop gevonden werden, bevestigden het vermoeden. In totaal zouden 884 beenderen van ongeveer 75 individuen gevonden worden een enorme hoeveelheid. De jonge leeftijd van de individuen toen ze stierven en het feit dat veel van de beenderen gebroken waren duidde er volgens Gorjanović op dat deze mensen het slachtoffer waren van kannibalisme. Dit deed het beeld dat het publiek had van de Neanderthalers geen goed. De Krapina vondsten zetten de Neanderthalers wel verder op de kaart als een aparte soort en leverden genoeg materiaal op voor een uitgebreide studie van deze vroege mensen.

L E E S   V E R D E R : 1 9 0 0  -  1 9 3 0