F R A N K R I J K  Aan het begin van de twintigste eeuw werden er in korte tijd veel nieuwe Neanderthaler fossielen gevonden. Eerst in het Duitse Ehringsdorf in 1908 en daarna in Frankrijk: Le Moustier (1908 en 1914), La Chapelle-aux-Saints (1908), La Ferrassie (1909, 1910 en 1912) en La Quina (1911). De volwassen Neanderthaler man, van wie de fossiele overblijfselen gevonden werden in een kleine grot genaamd Bouffia Bonneval, zou een hoofdrol gaan spelen in het debat over de plaats van de Neanderthalers op de menselijke stamboom.

De oude man werd in 1908 gevonden door een tweetal Franse geestelijken; de abten Jean en Amťdťe Bouyssonie. De twee realiseerden zich dat de vorm van de schedel afwijkend was van die van de moderne mens en vroegen een andere geestelijke, de abt Breuil, om advies. In Frankrijk waren in die tijd twee kampen ontstaan. Het ene kamp, dat vooral werd vertegenwoordigd door leden van de ecole d'anthropologie, zag de Neanderthalers als voorouders van de mens. Zij zagen een directe lijn van opvolging van de Neanderthalers naar de mens. Het andere kamp zag de Neanderthalers als een zijtak in onze evolutie. Zij vonden de Neanderthalers te primitief om een directe voorouder te zijn. Dit kamp werd geleid door Marcelin Boule van het natuurhistorisch museum in Parijs. Op aanraden van Breuil stuurden de vinders van de oude man het fossiel naar Boule ter analyse, een keuze die de beeldvorming rondom de Neanderthalers zeer sterk zou beÔnvloeden.

 

Pierre-Marcellin Boule
(1861 - 1942)

De Fransman Pierre-Marcellin Boule kan worden beschouwd als een van de meest invloedrijke paleoantropologen aan het begin van de twintigste eeuw. Zijn bekendste werk is de beschrijving van de Chapelle-aux-Saints fossielen. De zeer uitgebreide beschrijving maakte de fossielen wereldberoemd. De beschrijving bevatte evenwel fouten en zorgde er voor dat de Neanderthalers tot op de dag van vandaag het beeld met zich meedragen van de domme bruut. Het is dan ook gemakkelijk achteraf kritiek te hebben op Boule, maar het onderzoek was in zijn tijd toonaangevend.

 

Was het publieke beeld van de Neanderthalers al negatief beÔnvloed door de associatie met kannibalisme die door Kramberger naar voren werd gebracht, Boule deed daar nog een schepje bovenop. In zijn zeer uitgebreide analyse zette hij de oude man neer als niet veel meer dan een grote mensaap. De oude man was, zoals de naam al zegt, voor Neanderthaler begrippen erg oud geworden. Hij had tijdens zijn leven veel averij opgelopen; hij miste bijna al zijn tanden en had een vervormde heup, een verbrijzelde teen, een beschadigde knieschijf en leed aan artrose op een aantal delen van zijn lichaam. Boule zag dit anders, in zij beschrijving zette hij de kenmerken van de oude man neer als de typische trekken van zijn soort. Hij schetste het beeld van een soort die continu met gebogen knieŽn en rug liep. Samen met de dikke, door artrose aangetaste botten leidde dit er toe dat de Neanderthalers meer en meer werden gezien als domme bruten. Ook het feit dat de hersenembolie, die was op te maken aan de hand van de schedel van de oude man, met 1.625 cc ver boven dat van de gemiddelde moderne mens ligt kon Boule niet van zijn opvatting afbrengen dat de Neanderthaler veel dichter bij de chimpansee stond dan bij de mens. Door de invloed van Boule zou dit lange tijd het geaccepteerde beeld zijn van de Neanderthaler, pas in de jaren '50 en '60 werd de beeldvorming wat positiever.

De fossielen van La Ferrassie, een volwassen man en een volwassen vrouw werden kort na de ontdekking van de oude man gevonden. Boule was ook hier betrokken bij de opgraving. Hoewel het uiterlijk van de fossielen van La Ferrassie tegenwoordig wordt beschouwd als klassiek Neanderthaler, schonk Boule er weinig aandacht aan. De eerste gedetailleerde beschrijving werd pas in 1976 geschreven.

P I L T D O W N  Terwijl aan de overkant van het kanaal de ene na de andere fossiele mens werd gevonden, wachtte men in Engeland nog steeds op de vondst van de ďeerste EngelsmanĒ. Waar Groot-BrittanniŽ eens het debat over evolutie leidde met mensen als Charles Darwin, Alfred Russel Wallace en Thomas Huxley stond men nu een beetje aan de zijlijn. Dat veranderde toen in 1908 fossielen werden gevonden in het kleine plaatsje Piltdown. Het begon met een aantal fragmentarische fossielen die door werklui werden aangeboden aan de amateur-fossielenjager Charles Dawson. Gedurende de volgende drie a vier jaar werden er meer en meer fossielen gevonden en in 1912 toonde Dawson deze aan zijn vriend en vooraanstaand paleontoloog Arthur Smith Woodward. Smith Woodward plakte de stukjes bot aan elkaar en maakte op basis daarvan een reconstructie van Eoanthropus dawsoni zoals hij deze nieuwe soort noemde. De reconstructie toonde een vrij grote hersenpan en een aapachtige kaak, dit was de perfecte menselijke voorouder; een beetje aap, maar wel met grote hersenen. Dit was de eerste Engelsman en de voorouder van de moderne mens. De Neanderthaler was niet meer nodig als menselijke voorouder en dat was maar goed ook. Zelfs Boule gaf toe dat de Piltdown man waarschijnlijk een voorouder was van de mens, al ging dat uiteraard niet van harte.

Smit Woodward, Dawson en een Franse geestelijke en paleontoloog, Pierre Teilhard de Chardin, bleven doorgraven in de Piltdown groeve en vonden twee jaar later nog een tand, waarvan zij claimden dat deze bij de rest van de fossielen hoorde. De tand was aapachtig, wat nogmaals bevestigde dat de reconstructie van Smith Woodward juist was. Dat kwam goed uit want Smith Woodwards reconstructie was controversieel. Een aantal maanden na zijn eerste reconstructie was er nog een gemaakt. Deze keer door een andere eminente Britse paleontoloog, Arthur Keith. Keith was het niet eens met de manier waarop Smith Woodward de schedel van Eoanthropus had gereconstrueerd en kwam met zijn eigen versie. De Piltdown reconstructie zou in de loop der jaren tot felle discussies leiden tussen de twee heren. Naast kritiek uit eigen kring waren een aantal Amerikaanse wetenschappers ook niet gelukkig met Piltdown. Met name Ales Hrdlicka, een van oorsprong Hongaarse onderzoeker aan het Smithsonian instituut in Washington, had kritiek op de Piltdown mens. Het bevreemde Hrdlicka dat de Britten een verband zagen tussen de kaak van waarschijnlijk een mensaap en een hersenpan van een moderne mens. Hrdlicka zag het verband niet en geloofde niet dat de Piltdown fossielen tot een nieuwe menssoort behoorden. Ook Franz Weidenreich, de Duitse wetenschapper die beroemd werd door zijn vondst van de Peking mens, dacht de kaak niet menselijk was, maar eerder van een Orang-Oetan.



Piltdown

Op de foto, twee van de hoofdrolspelers in het Piltdown-drama: Smith Woodward (midden) en Dawson (rechts). Beiden gelden als verdachten voor het vervalsen van de fossielen. Op de lijst met hoofdverdachten komen verder ook Keith en Teilhard de Chardin voor, maar ook "Sherlock Holmes"-schrijver Arthur Conan Doyle die bevriend was met Dawson. Op de voorgrond van de foto zien we Chipper de gans. Chipper komt op bijna alle foto's van de opgraving voor, hij beschouwde het opgravinggebied als zijn territorium en hoewel hij de gravers tolereerde was hij erg vijandig tegen bezoekers. Wie de vervalsing ook pleegde, Chipper moet er van geweten hebben.

 

De Britten trokken zich niets aan van dergelijke kritiek, blij als zij waren met de vondst van de eerste Engelsman. Maar door de vondst van meer en meer fossielen werd Piltdown uiteindelijk steeds meer een buitenbeentje. Van de Neanderthalers werden er door heel Europa fossielen gevonden, bij de Piltdown mens bleef het bij ťťn exemplaar. Ook de theorie die zo heel mooi door de Piltdown fossielen werd ondersteund, namelijk dat eerst de hersenen zich hadden ontwikkeld en toen pas de rest van het lichaam, kwam door nieuwe vondsten steeds meer onder druk te staan. Niet alleen klopte het plaatje niet met de Neanderthaler fossielen die in Europa en het Midden Oosten werden gevonden, maar ook was het niet te rijmen met de Australopithecus fossielen uit Afrika en de Homo erectus fossielen die AziŽ werden gevonden.

Uiteindelijk viel in 1953 het doek voor de Piltdown mens. In dat jaar werd door uitgebreid onderzoek van Jospeph Weiner, Kenneth Oakley en Wilfrid le Gros Clark aangetoond dat de fossielen een vervalsing waren. Uit het onderzoek kwam onder andere naar voren dat de Piltdown fossielen niet een geheel waren maar een combinatie van een menselijke schedel en de kaak van een Orang-Oetan. Door middel van een van de eerste dateringstechnieken, fluorinedatering, een techniek die uitgaat van het geleidelijke verval van fluorine in fossielen, kon worden aangetoond dat de fossielen niet uit het Plioceen of Pleistoceen stamden zoals eerder werd aangenomen, maar uit de Middeleeuwen! De Piltdown vervalsing heeft decennia lang de wetenschappelijke wereld op een dwaalspoor gebracht. Wie de vervalsing pleegde is nooit ontdekt, al zijn zo'n beetje alle hoofdrolspelers al eens als verdachte aangemerkt. Nooit is er iets bewezen. De vervalser moet heel goed op de hoogte zijn geweest van fossielen, opgravingstechnieken maar ook van de denkbeelden en stokpaardje van de wetenschappelijke elite. Na de ontmaskering van de Piltdown mens kregen de Neanderthalers pas de aandacht die zij verdienden. Zij werden niet langer gezien als een zijspoor in de evolutie van de mens. De Neanderthaler maakte deel uit van de menselijke familie.

D E   O O S T  Werden de eerste vondsten van Neanderthaler fossielen zonder uitzondering in West-Europa gedaan, in 1924 kwam daar verandering in met de vondst van de fossielen van een volwassene en een kind op de Krim, in het zuiden van de OekraÔne. De vondst werd gedaan door de Wit-Rus Gleb Bonch-Osmolovskii, die de fossielen beschreef in een aantal artikelen die uitsluitend in het Russisch gepubliceerd werden. De fossielen kregen pas enige bekendheid toen ze in Praag terecht kwamen en werden geanalyseerd en in het Duits beschreven door Emanuel Vlcek.

De eerste vondst buiten Europa werd gedaan door de Engelse amateur-archeoloog Francis Turville-Petre. Turville-Petre was een opgraving begonnen in een grot nabij het meer van Galilea, in wat vandaag de staat IsraŽl is. In de grot Mugharet (grot) el-Zuttiyeh genaamd vond hij in 1925  delen van een schedel. De vondst werd prompt de ďGalilea ManĒ gedoopt, al bleek later na grondig onderzoek dat de ďmanĒ een vrouw was. Bij de vondst werden stenen werktuigen gevonden die gemaakt waren met een techniek die de Moustťrien technologie wordt genoemd, naar de vindplaats Le Moustier waar ze voor het eerst werden aangetroffen. De werktuigen vormden een onmiskenbare link tussen de vindplaatsen in Frankrijk en deze nieuwe vondst in het toenmalige Palestina.

Vier jaar na de vondst van Turville-Petre werden er in Palestina nog meer Neanderthaler fossielen gevonden. Het team dat deze ontdekking deed stond onder leiding van Dorothy Garrod. Zij deden hun vondst eveneens in een grot, Mugharet et-Tabun, aan de voet van de Karmel berg. Garrod, die 10 jaar later de eerste vrouwelijke professor zou worden aan de universiteit van Cambridge, had al eerder een Neanderthaler fossiel gevonden, namelijk op Gibraltar in 1926. Deze vondst, in de Devil's Tower grot, bestond uit een gedeeltelijke schedel van een onvolwassen Neanderthaler. In 1929 vond haar team wederom Neanderthaler fossielen. De Tabun vondst bestond uit een gedeeltelijk skelet en enkele losse beenderen van andere individuen, waaronder een onderkaak.

 

Dorothy Annie Elizabeth Garrod
(1892 - 1969)

Dorothy Garrod was archeoloog en professor in een tijd waarin dit voor een vrouw zeer uitzonderlijk was. Na haar studie in Cambridge nam zij deel aan opgravingen in onder andere Bulgarije, Gibraltar en Kurdistan (Iran/Irak). Het bekendst is echter haar werk in Palestina (Israel). Aan de voet van de Karmel berg deed zij opgravingen in een aantal grotten. Garrod, die gespecialiseerd was in stenen werktuigen, groef in Palestina meer dan 90.000 werktuigen op. Naast werktuigen vond haar team ook diverse Neanderthal en Homo sapiens fossielen. Garrod werd in 1939 gekozen als de eerste vrouwelijke professor van Cambridge universiteit

 

 

Hoewel de fossielen die in IsraŽl gevonden werden qua vorm veel lijken op de fossielen uit west-Europa en er ook op basis van de werktuigentechnologie die zij gebruikten een duidelijk verband is, zijn deze oostelijke Neanderthalers wel goed te onderscheiden van hun westerse soortgenoten. De West-Europese Neanderthalers zijn meer gedrongen, hebben dikke botten en een zware wenkbrauwboog, we noemen dit wel de klassieke Neanderthalers. De oosterse Neanderthalers hebben een lichtere bouw. Het verschil is waarschijnlijk te verklaren door het klimaat waarin de Neanderthalers leefden. De klassieke Neanderthalers leefden in een kouder klimaat en waren goed aangepast voor dit koude weer, hun bouw is te vergelijken met die van de eskimo's: kort en gedrongen. De oosterse Neanderthalers leefden in een gematigder klimaat en hadden die echte koude aanpassingen niet.

Ook de schedel die in 1929 werd gevonden in Saccopastore, ItaliŽ, had niet de traditionele stevige bouw van de klassieke Neanderthalers. Het fossiel werd door sommigen zelfs gezien als een tussenvorm tussen de Neanderthalers en de moderne mens. De Saccopastore schedel, maar met name ook een tweede schedel die zes jaar later in dezelfde groeve werd gevonden, lijken echter meer op de fossielen van de voorouder van de Neanderthalers, Homo heidelbergensis, dan op de klassieke Neanderthalers. En ondanks de verwoede pogingen van Sergio Sergi, een vooraanstaande Italiaanse paleontoloog die de fossielen beschreef en uitgebreide theorieŽn formuleerde over de plaats van de Saccopastore fossielen op de menselijke stamboom, vonden de meeste wetenschappers de schedels een vreemde eend in de bijt. Dit betekende dat, zoals wel vaker gebeurde, de fossielen werden genegeerd.

B U R E N  Sommige afwijkende fossielen konden echter niet zo gemakkelijk worden genegeerd en leidden tot felle discussies. Zo werd er drie jaar na de vondst van de Tabun fossielen, door het team van Dorothy Garrod een aantal fossielen gevonden in een grot Mugharet es-Skhull. Het team van Garrod deed opgravingen in drie grotten Mugheret et-Tabun (grot van de oven), Mugheret es-Skhull (grot van de kinderen) en Mugheret el-Wad (grot van de vallei). De grotten lagen dicht bij elkaar aan de voet van de Karmel berg. Skhull lag zelfs bijna in het zicht van de Tabun grot. In de grot werden werktuigen gevonden die verwant waren aan de werktuigen uit de Tabun grot en uit de datering bleek dat de twee vindplaatsen ongeveer even oud waren.

Het probleem met de Skhull fossielen was dat ze groot en massief waren, vooral ten opzichte van de fossielen uit de Tabun grot. De Tabun fossielen waren Neanderthalers, die van Skhull leken nog het meest op moderne mensen. Omdat de expertise van Garrod voornamelijk lag in stenen werktuigen, vroeg zij Arthur Keith en Theodore McCown de fossielen te analyseren en een beschrijving te maken. Keith was de paleontoloog die nauw betrokken was bij de vondst van de Pildown fossielen. Keith en McCown kwamen tot de conclusie dat de Skhull en Tabun fossielen tot dezelfde soort behoorden. De fossielen waren echter zo verschillend dat het eerder werd ervaren als de minst slechte oplossing dan als een overtuigende conclusie. Keith en McCown verklaarden de variatie in deze populatie door te stellen dat ofwel door enorme evolutionaire druk de populatie zeer divers was geworden danwel er sprake was van een vermenging tussen moderne mensen en Neanderthalers.

Tegenwoordig zien we de Tabun fossielen als Neanderthalers en de Skhull fossielen als moderne mens. Dat betekent dus dat in dezelfde periode in de twee grotten, die op steenworp afstand van elkaar liggen, verschillende menssoorten leefden. Deze menssoorten kunnen elkaar dus heel gemakkelijk ontmoet hebben en gezien de overeenkomsten in de werktuigen die zij maakten is dit ook zeker niet onwaarschijnlijk. Je leest hier meer over in het hoofdstuk Het Einde.

 W O R D T   V E R V O L G D . . .